Knieprothese: De operatie

De verdoving

De avond voor de ingreep komt de anesthesist op bezoek om de verdoving te bespreken. Een plaatselijke verdoving via een prik in de rug is te verkiezen. Deze zogenaamde “peridurale” anesthesie wordt aangevuld met een lichte algemene narcose tijdens de operatie zelf, zodat de patiënt de operatie niet bewust hoeft mee te maken.

De ingreep zelf

Een insnede tussen 10 en 15 cm door de huid volstaat om een knieprothese in te planten. Het gewricht wordt geopend en de beenderen worden zichtbaar. Met behulp van speciale, uiterst nauwkeurige meetinstrumenten worden de beschadigde oppervlakken ter hoogte van het kraakbeen verwijderd. Dit gebeurt in verschillende stappen om zo weinig mogelijk bot van de patiënt op te offeren. Met deze techniek kan de chirurg niet alleen de prothese perfect doen passen op bovenbeen en onderbeen, maar ook de asafwijkingen (O- of X-been) corrigeren: het been wordt als het ware terug recht gezet.

Na ongeveer één uur is de operatie beëindigd. De patiënt wordt direct daarop wakker in de ontwaakzaal. Dankzij een minuscuul buisje in de rug, de peridurale verblijfcatheter of pijnpomp, ervaart het merendeel van de patiënten weinig tot geen pijn. Onmiddellijk na de operatie wordt het been in een hoge goot gelegd om het plooien te bevorderen. Een of twee buisjes worden aangesloten op een redon en zorgen ervoor dat de wonde de eerste twee dagen gezuiverd kan worden van eventuele nabloedingen.